Muts “Béarnais” voor knaapjes van 6―8 jaar. Haakwerk
Afb. No. 19. Knippatr., keerz. v. h. Supplem. No. XI, Fig. 35―37. 2½ lood blauwe, ¼ lood witte zephirwol.
De muts en revers zijn beide van blauwe wol met den gaffelsteek (zie afb. No. 48 en de bijbehoorende beschrijving) gehaakt, de revers is langs den bovenrand met bosjes stokjes van witte wol omgeven. Men begint de muts met een opzetsel van 18 steken, meerdert van den 2. tot den 10. patroontoer telkens aan het begin en einde 1 steek, werkt de 8 volg. patr.-toeren in een gelijk getal steken en mindert in de 10 laatste toeren aan het begin en einde gedurig 1 steek. Daarna werkt men de pas, zet 80 steken op, sluit deze tot eene ronding, haakt 3 toeren stokjes, haalt de muts van kruis tot punt op de wijdte van de pas in en verbindt haar met de laatste. De revers bestaat uit twee gedeelten van gelijke grootte, die op de volgende wijze vervaardigd worden. Men haakt op een opzetsel van 32 steken drie patr.toeren in een gelijk getal steken; in de 4 volgende patr.-toeren mindert men aan het begin en einde 1 steek, en haakt dan over den gewelfden buitenrand 1 toer h. v. st., hierop 2 toeren met witte wol: 1. toer. Afwisselend 1 st. in den eenen steek van den vor. toer, 3 dubb. st. in den volg. steek. ― 2. toer. Aan beide zijden van elk afzonderlijk st. 1 h. v. st. De revers wordt door 1 toer met blauwe wol gehaakt afgesloten, die uit bogen van 3 kett. en 1 v. st. bestaat, waarmede telkens 1 steek van den vor. toer wordt overgeslagen. Heeft men de beide gedeelten voor de revers vervaardigd, dan naai men ze volgens de cijfers aan de pas. Op de muts teruggeslagen, worden de beide revers aan de zijden, waar zij te zamen komen, verbonden en aldaar met eene rozet van blauwe wol bevestigd.