Mutsje met neteldoeksche strookjes voor kinderen beneden het jaar
Afb. No. 3. Knipp. keerz. v. h. Supp. No. XVI, Fig. 51 en 52.
Dit mutsje is hoewel niet met kant en met rijk borduurwerk gegarneerd, toch zeer sierlijk. Om het te vervaardigen knipt men uit fijn batist of neteldoek naar Fig. 52 den ronden bodem van het mutsje, verder naar Fig. 51 de pas in het midden aaneen, en rekent daarbij op de negen smalle opnaaisels die er naar aanwijzing op Fig. 51 ingeregen worden. Tusschen elke drie van deze opnaaisels voert men met ijzergaren eene rij vischgraatsteken uit. Als de achterr. van de pas van punt tot 38 is ingerimpeld, dan naait men haar van 40 tot ster aan elkaar, zet er dan volgens de overeenstemm. Teekens en cijfers den bodem aan de binnenzijde in, en legt er bovenop een schuin reepje met den vischgraatsteek opgenaaid en nauwlijks 1 d. breed omheen. Tegen den onderrand en tegen den voorkant van het mutsje zet men een reepje der stof 1 d. breed, dat aan den onderrand tevens als schuif dient. De voorrand wordt eindelijk gegarneerd met 3 strookjes elk 1½ d. breed, die eerst gezoomd en dan fijn geplooid zijn, het laatste, het derde loopt ook om den onderrand heen. Strikbanden van gezoomde reepen der stof 3 d. breed.